De inpoldering van het IJsselmeer heeft een lange voorgeschiedenis. Eeuwenlang was de Zuiderzee één van de grootste bedreigingen. In de 17e eeuw begonnen de waterbouwkundigen met begerige ogen naar de toenmalige Zuiderzee te kijken. Wieringen, Marken, Schokland en Urk waren toen nog eilanden.
De zee heeft Nederland veel goeds gebracht, maar kon ook onverbiddelijk hard toeslaan. De schade bleef daarbij niet beperkt tot de schepen op zee, maar ook het land kreeg het zwaar te verduren. Hendric Stevin, waterbouwkundig ingenieur kwam met het idee om de Zuiderzee te temmen. Hij wilde een dijk leggen van de kop van Noord-Holland langs de waddeneilanden naar de Groninger zeedijken. Daarmee was Stevin zijn tijd ver vooruit.
Het duurde nog tot in de 19e eeuw voor er sprake
was van plannen die technisch en financieel uitvoerbaar waren. Dr Ir C. Lely
kwam aan het eind van de 19e eeuw met een voorstel de Zuiderzee in te dammen.
Pas in 1918 toen Lely Minister van Waterstaat was, werd zijn plan tot wet
verheven. Het doel dat Lely met het zogenaamde Zuiderzeeproject voor ogen
stond was:
-
grotere veiligheid tegen overstromingen
-
beter waterhuishouding
-
vergroting van de werkgelegenheid en de voedselvoorziening.
Op 1 mei 1919 kwam de Dienst der Zuiderzeewerken tot stand. Een jaar later werd er begonnen aan de dijk naar het toenmalige eiland Wieringen. Na de dijk naar Wieringen was het even stil rond de inpoldering door de economische problemen van die tijd. De Wieringermeerpolder viel in 1930 als eerste van de vijf aan te leggen polders droog. Twee jaar later werd het laatste gat in de Afsluitdijk gesloten en hield de Zuiderzee op te bestaan.
Het IJsselmeer was geboren. De Noordoostpolder zou de eerste echte IJsselmeerpolder worden. Het dijktraject werd gekozen en op 3 oktober 1939 gaven de Burgemeesters Keijzer van Urk en Krijger van Lemsterland elkaar een hand op het enkele minuten daarvoor gesloten gat in de dijk. Urk was op dat moment geen eiland meer.
De oorlog zette enigszins de rem op de verdere ontwikkeling. Toch werd in 1940 de dijk aan de Overijsselse kant gesloten en kon men beginnen met het droogmalen. In september viel de polder droog. Duizenden arbeiders begonnen aan het zware handwerk in de polder. Veel mensen gaven in die jaren het nieuwe land de bijnaam Nederlands Onderduikers Paradijs (NOP).
Na de oorlog begon de voorloper van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders met de uitgifte van grond en kwamen de woonkernen van de grond. Emmeloord kon als eerste profiteren van de in de Wieringermeer opgedane ervaring.
Bij de
bouw van boerderijen werd in de Noordoostpolder voor het eerst gebruik
gemaakt van in de fabriek vervaardigde beton-elementen. Er zijn rond 1.800
bedrijven op het gebied van landbouw, groenteteelt en fruitteelt in pacht en
erfpacht uitgegeven met een totale oppervlakte van ruim 42.000 ha; 2.200 ha
is ingeplant met bos, terwijl ongeveer 3.000 ha van de oppervlakte wordt
ingenomen door dorpen, wegen, kanalen enz.
Niet iedereen kon zomaar landbouwer worden in het nieuw gewonnen land. Wie in aanmerking wilde komen voor één van de boerderijen moest zich aan een strenge selectieprocedure onderwerpen. Het aantal gegadigden was in de tien jaar van uitgifte altijd veel groter dan het aantal beschikbare boerderijen. De boeren, die er vanaf de beginjaren een nieuw bestaan opbouwden, kwamen voornamelijk uit Zeeland, Noord-Holland en Friesland.
In 1962 werd de gemeente Noordoostpolder
ingesteld. Deze gemeente hoorde aanvankelijk bij de provincie Overijssel maar
werd later, in 1986, onderdeel van de nieuwe provincie Flevoland.
Door de inpoldering zijn de eilanden Urk en Schokland een deel van de polder
geworden. Urk is wel een aparte gemeente gebleven, terwijl Schokland in de
Gemeente Noordoostpolder is opgenomen. Op het vroegere eiland is in en rond
het voormalige kerkje Museum Schokland gevestigd. Een groot aantal
geologische en archeologische vondsten uit de bodem van de vroegere Zuiderzee
is in dit museum te zien.
Na de Noordoostpolder werd er met de aanleg van Oostelijk Flevoland begonnen. Was het bij de Noordoostpolder nog zo dat men voornamelijk landbouwgrond wilde winnen, de nieuwe polder zou de bevolking van de overvolle randstad moeten opvangen. De verstedelijking in Noord- en Zuid-Holland nam zulke vormen aan dat er nieuw land nodig was voor woningbouw en recreatie. In de nieuw aan te leggen polder zou 25% van de grond dan ook geen landbouwbestemming krijgen. Na de voorspoedig aangelegde oostelijke polder (1957) volgde al snel de zuidelijke polder (1968). In de zuidelijke polder liep het gebruik van de grond voor landbouw terug naar 50%.
Wonen werd hier een belangrijke factor. Ondertussen ontstonden er gemeenten en werden de drie polders langzamerhand een bestuurlijk gebied, met als uiteindelijk resultaat de provinciewording. De Noordoostpolder werd, evenals Urk, aan Overijssel onttrokken en is nu qua oppervlakte de grootste gemeente van de provincie.
Meer informatie over de geschiedenis van Noordoostpolder en Flevoland:
- www.nieuwlanderfgoed.nl (de website van het erfgoedcentrum zelf)
- www.flevolandbovenwater.nl (de digitale catalogus van de inpoldering van Flevoland)
- www.flevolandsgeheugen.nl
Flevolands Geheugen is een productie van Nieuw Land Erfgoedcentrum i.s.m. Landschapsbeheer Flevoland en met steun van de Mondriaan Stichting. Deze website staat bol van de verhalen. Een deel van de verhalen is afkomstig uit de archieven van Nieuw Land. Flevolands Geheugen is de optelsom van alle herinneringen aan Flevoland, Urk, Noordoostpolder, Dronten, Lelystad, Almere, Zeewolde en het Zuiderzeeproject.