Harmen Visser
De dood van een BS-commandant
Het had niet zo moeten zijn
Op 15 april 1945 wordt het oude Zuiderzeestadje Vollenhove bevrijd door de Binnenlandse Strijdkrachten en in de avond arriveren ook de Canadese bevrijders. De bevolking waaronder de plaatselijk commandant van de BS, opperwachtmeester Visser, is in feeststemming zoals unieke filmbeelden laten zien. Echter, de herwonnen vrijheid voor Harmen Visser duurt slechts een dag.
Harmen Visser wordt op 25 november 1894 in de Friese buurtschap Scharl bij Stavoren (in de toenmalige gemeente Hemelumer Oldephaert en Noordwolde) geboren. Hij groeit daar op als eerstgeborene in een Nederlands-hervormd gezin van zes kinderen, waar vader de kost verdient als visser op de Zuiderzee. Na de lagere schooljaren gaat ook Harmen aan het werk als visser.
Er dreigt oorlog in Europa en op 1 augustus 1914 mobiliseert het neutrale Nederland het leger: een mobilisatie die vier jaar zal duren. Harmen Visser wordt op 7 augustus opgeroepen als zeemilicien, als dienstplichtige bij de Koninklijke Marine. In welke functie en op welk schip hij moet dienen, is niet bekend. In de mobilisatietijd richt de marine zich op de verdediging van Nederlands-Indië, patrouilleert langs de Nederlandse kust en veegt mijnen op zee.
Na ruim drie jaar gaat hij in november 1917 met ‘onbepaald klein verlof’ en neemt zijn werk als visser weer op. Inmiddels is hij verloofd met Sijtske Tromp uit het naburige dorp Mirns en Bakhuizen. Harmen wil bij de politie en dat lukt; medio mei 1919 krijgt hij een aanstelling als agent van politie te Den Helder. Twee weken later op 30 mei trouwt hij met zijn Sijtske en het echtpaar gaat in Den Helder wonen. Als politieagent zonder opleiding leert hij in de praktijk. Pas medio 1919 ontstaan de eerste politiescholen. In zijn vrije tijd behaalt hij bij de Algemeene Nederlandsche Politiebond (ANPB) het politiediploma ‘met aantekening’ vanwege zijn hoge cijferlijst.
Harmen ambieert een meer zelfstandige functie en solliciteert bij het Korps Rijksveldwacht, met als resultaat in juli 1924 een benoeming tot rijksveldwachter te Koedijk (NH). Daar wordt in juni 1928 dochter Aaltje geboren. Kort daarop wordt hij overgeplaatst naar het vlakbij gelegen Heerhugowaard. In juni 1929 volgt een bevordering tot rijksveldwachter-brigadier-titulair. Wil hij carrière maken, dan moet hij eerst examen voor brigadier afleggen en daarvoor slaagt hij in 1932. Zijn bevordering tot deze rang laat evenwel nog zes jaar op zich wachten. Deze promotie haalt zelfs het Nieuwsblad van Friesland, terwijl hij toch al negentien jaar geleden zijn geboorteplaats verliet: “Onze vroegere plaatsgenoot, de heer H. Visser, rijksveldwachter te Heerhugowaard, is bevorderd tot brigadier bij de rijksveldwacht en als zoodanig met ingang van 1 Sept. overgeplaatst naar Urk.”
Urk
Brigadier der Rijksveldwacht Harmen Visser (45), sinds september 1938 gestationeerd op Urk, is op zijn post tijdens de Duitse inval in mei 1940. In september van dit bezettingsjaar wordt het gezin van Harmen, Sijtske en dochter Alie uitgebreid wanneer ze liefdevol een pleegkind in hun midden opnemen.
Overigens is Urk sinds oktober 1939 geen eiland meer, nadat de dijk tussen Lemmer en Urk is gesloten als onderdeel van de drooglegging van de nieuwe Noordoostpolder. De dijk aan de zuidkant van de polder wordt in december 1940 gesloten en een maand later begint het droogmalen. In september 1942 zal de polder officieel droogvallen, al kan eerder in 1941 aan de Overijsselse kant al de eerste oogst worden binnengehaald.
De bezetter heft per 1 maart 1941 het Korps Rijksveldwacht op en het personeel gaat over naar de Marechaussee. Brigadier Visser wordt per maart 1941 aangesteld in de rang van wachtmeester met als standplaats Urk. De voormalige politiepost van de Rijksveldwacht in Urk wordt nu een van de posten van de in het voorjaar 1941 opgerichte Brigade Marechaussee Vollenhove. Voor de Urkers maakt het niet uit, het blijft ‘brigadier Visser’.
Gehighlighte tekst: Voor de Duitse inval vervulde het (militaire) korps Koninklijke Marechaussee de (civiele) rijkspolitietaak op het platteland, hoofdzakelijk in de grensprovincies; het korps was georganiseerd in brigades en gelegerd in kleine kazernes. Door de bezetter werd vanaf juli 1940 het predicaat ‘Koninklijke’ geschrapt; het personeel werd ontslagen als militair en overgenomen in burgerdienst. Het korps werd sterk uitgebreid met o.a. personeel afkomstig van het gedemobiliseerde leger en het opgeheven Korps Rijksveldwacht. In 1946 werd de Koninklijke Marechaussee heropgericht met een andere taakstelling.
Naast de doorsnee vergrijpen in het vissersdorp is de marechaussee bezig met de ‘Strijd tegen ondermaatsche visch’, zoals een krantenkop luidt. Wachtmeester Visser en zijn collega’s verschijnen hiervoor regelmatig als getuigen bij het Kantongerecht Hoorn.
Per 1 maart 1943 wordt een grote reorganisatie van de Nederlandse politie doorgevoerd. De politiekorpsen van acht grote steden worden Staatspolitie. In 121 gemeenten blijft de gemeentepolitie bestaan, maar wel ondergeschikt aan de Staatspolitie-instanties. In de overige gemeenten komt de politiedienst in handen van de Staatspolitie, zijnde de ‘Marechaussee (Gendarmerie)’. Voor de gehele politie worden een gelijk rangenstelsel met militaire benamingen en nieuwe uniformen ingevoerd.
De brigades van de Marechaussee worden opgeheven; de nieuwe organisatie ‘Marechaussee (Gendarmerie)’ kent groepen en posten. Dit betekent voor Visser dat hij als wachtmeester wordt ontslagen bij de Marechaussee en als opperwachtmeester wordt aangesteld bij Staatspolitie en ingedeeld bij de ‘Marechaussee (Gendarmerie)’, groep Vollenhove. Deze groep kent de posten Vollenhove, Sint Jansklooster, Blokzijl, Kuinre en Urk. Opperwachtmeester Visser wordt per 15 juni 1943 als postcommandant overgeplaatst naar Sint Jansklooster, maar gaat wonen in het nabijgelegen Vollenhove.
Onderduikersparadijs
Tijdens de bezetting gaat de ontginning van de Noordoostpolder (NOP) gewoon door, want ook voor de bezetter is de voedselopbrengst van de nieuwe landbouwgrond van belang. Heel veel arbeiders worden ingeschakeld om greppels te graven; zij wonen daar in barakkenkampen. De polder wordt zo ook een toevluchtsoord, want de arbeiders zijn vrijgesteld van de arbeitseinsatz in Duitsland. De afkorting NOP staat in die tijd ook wel voor Nederlands Onderduikersparadijs. Het zijn niet alleen arbeiders die daar veiligheid vinden, maar ook degenen die door de bezetter worden gezocht, zoals geallieerde bemanningsleden van gecrashte vliegtuigen en uit Duitsland ontsnapte Franse krijgsgevangenen. Overigens is toegang tot de polder niet zo maar mogelijk. Kranten van augustus 1942 melden: “Na 24 Augustus a.s. zal ieder, die zich zonder toegangsbewijs in den Noordoostelijken Polder bevindt, daaruit kunnen worden geweerd.” Met de controle daarop zijn marechaussee, sluis-, pont- en brugwachters belast.
Illegale activiteiten
In de winter van 1943-1944 sluit Harmen zich in Vollenhove aan bij de illegale Ordedienst (OD). Hij wordt plaatselijk commandant OD en treedt op als ordonnans tussen andere plaatselijke groepen. Daarnaast is hij actief voor de LO/LKP (Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers en Landelijke Knokploegen) met het verbergen en verzorgen van onderduikers en de hulp aan ‘piloten’. Steeds staat hij klaar om mensen op zijn dienstmotor of met een wagen weg te brengen onder dekking van zijn uniform. Hij verspreidt illegale krantjes en regelt, wanneer dat nodig is, een ausweis, persoonsbewijs of wat voor bewijs dan ook. Ook neemt hij deel aan overvallen op voedsel- en kledingmagazijnen in de polder. Als schuilnaam gebruikt hij Willem Blokland, meestal Ome Willem.
Vissers illegale werkzaamheden gebeuren ook in diensttijd, waarbij gebruik wordt gemaakt van dienstvervoer. Hij wordt gedekt door de waarnemend commandant Afdeling Zwartsluis, onderluitenant Lindeboom. Het wordt gevaarlijker wanneer in oktober een NSB’er, opperluitenant Dijkert, als afdelingscommandant aantreedt.
Als postcommandant in Sint Jansklooster en belast met de bewaking van het plaatselijke distributiekantoor is Visser uiteraard bekend met de gang van zaken aldaar. Met twee distributiemedewerkers, waarvan een de sleutel heeft, berooft hij in de nacht van 17 op 18 juli 1944 het distributiekantoor van de gewenste bescheiden. Om de diefstal op een inbraak te doen lijken, vernielt Visser een ruit van het kantoor. De volgende dag maakt hij als goed politieman een gedetailleerd proces-verbaal van de ‘overval’ op voor zijn superieuren en de Sicherheitspolizei (Sipo).
Binnenlandse Strijdkrachten
Na de oprichting van de ‘Nederlandsche Binnenlandsche Strijdkrachten’ in september 1944, waarin LKP en OD zullen opgaan, wordt Harmen benoemd tot afdelings- en plaatselijke commandant Vollenhove.
Voor het ontvangen van wapendroppings zijn in de Noordoostpolder twee plekken aangewezen. Het veld met codenaam Black Widow – tegen het oude land aan gelegen bij Blokzijl – staat onder commando van Harm Visser. Commandant Gewest Noordwest-Overijssel en Noordoostpolder, ‘Gerard’, stuurt ‘Theo’ en ‘Pim’ om de ontvangstploegen te instrueren en het transport, de verdeling en de opslag van de wapens, munitie en springstoffen te organiseren. Op het andere veld vinden drie droppings plaats, de laatste op 15 november. Ook de ploeg van Harm Visser staat enkele nachten paraat na het horen van de betreffende slagzin op de radio, maar er verschijnen geen vliegtuigen.
Gehighlighte tekst: ‘Gerard’ is Andries Kalter; hij wordt op 21 maart 1945 bij een vuurgevecht gedood.
‘Pim’ is Willem Lindenborn; hij overlijdt op 22 maart 1945 in de Zwolse gevangenis, op de vlucht neergeschoten enkele dagen daarvoor.
‘Theo’ is wachtmeester Nicolaas Theodorus Visser; hij komt op 7 april 1945 om het leven bij het opblazen van een spoorlijn.
Met de afvoer van de gedropte wapens is ook Visser actief. Een in de polder gestationeerde politieman herinnert zich dat Harmen Visser “rustig op een motorfiets de polder in kwam om in een jutezak wapens op te halen.”
Arrestatie en ontsnapping
Visser was enkele keren door zijn afdelingscommandant betrapt op het berijden van een dienstmotor, waarvoor hij geen aanvaardbare reden kon geven. Waarschijnlijk is hierdoor het vermoeden ontstaan dat hij illegaal werkte, want op 14 december 1944 worden Visser en ook zijn groepscommandant, onderluitenant Nieland, gearresteerd door de Sipo. Ze worden overgebracht naar de kazerne van de Wehrmacht in Steenwijk. Daarna worden kleding, huishoudelijke artikelen en fietsen door de Sipo weggehaald uit Vissers woning in Vollenhove; echtgenote Sijtske is met dochter en pleegzoon dan al vertrokken en duikt onder in de buurt van haar geboorteplaats.
Op een dag wordt ene Bruens bij Visser en zijn celgenoot gezet. Deze man, betrokken bij de wapendroppings in de polder, was gearresteerd door de Sipo en onder druk gezet om als informant te dienen. Inderdaad verraadt hij een ontsnappingspoging van zijn celgenoten, wat Visser op een aantal stokslagen komt te staan. Inmiddels heeft de Sipo weet (van een deel) van Vissers illegale activiteiten als gevolg van het doorslaan tijdens verhoren van andere gevangenen.
Toch lukt het Visser in de nacht van 20 op 21 januari 1945 met hulp van buitenaf uit de gevangenis te ontsnappen. Zijn naam staat vanaf dan vermeld in de Fahndungsnachweis (opsporingsregister) der Zentralen Fahndungsstelle met daarbij de opmerkingen: “Häftling” en “illeg[al] Betät[igt].” Tijdens verhoren is het Visser duidelijk geworden dat twee hem bekende illegale werkers uit Zwartsluis op de nominatie staan te worden gearresteerd. Dit kan na zijn ontsnapping worden verijdeld.
Bevrijding
Ondergedoken in Heerenveen neemt hij onmiddellijk weer de leiding op zich van de afdeling Vollenhove, waaronder ook Giethoorn, Blokzijl, Wanneperveen, Kuinre, Blankenham en een deel van de polder vallen. Hij is dan vooral organisatorisch bezig met veel overleg met plaatselijke commandanten over de te nemen maatregelen bij de aanstaande bevrijding. De laatste drie weken voor die bevrijding is hij in de buurt van Vollenhove. In de nacht van 13 op 14 april komt het tot een treffen met terugtrekkende Duitsers. Onder Vissers directe leiding komt de BS bovengronds en wordt in de morgen van 15 april begonnen met het bevrijden van Vollenhove: NSB’ers arresteren en achtergebleven Duitsers krijgsgevangen maken. In de vroege avond verschijnen de Canadezen en is de bevrijding van Vollenhove en omgeving een feit.
De volgende dag wil Visser weten of ook in Blokzijl en Kuinre de Duitsers verdwenen zijn en hij vertrekt daarheen op de motorfiets, vergezeld door acht man van zijn ‘mobiele ploeg’ gezeten in en op een grote personenauto. Niet in Blokzijl of Kuinre, maar bij Schoterzijl zouden nog Duitsers bij een boerderij zijn achtergebleven. De commandant van een passerende Canadese verkenningsgroep met twee brencarriers hoort dit van Visser en wil poolshoogte gaan nemen. Vissers groep volgt de Canadezen. Bij de bewuste boerderij wordt halt gehouden, waarbij de motorfiets knel komt te zitten bij een rupsband van een van de brencarriers. De mannen vinden dekking achter de dijk of in de mangaten in de dijk. Dan klinken salvo’s mitrailleurvuur, maar niet vanaf de boerderij. De Canadese commandant besluit terug te trekken. De mannen roepen elkaar toe, maar Visser reageert niet; hij blijkt een schotwond in zijn slaap te hebben en is overleden. “Onze commandant had het gevaar kennelijk onderschat en was tussen de schotenroffels door uit zijn schuilplaats gekropen om te kijken of zijn motorfiets schade had opgelopen.” Ze trekken terug en moeten Visser achterlaten. Later blijkt dat een groep Nederlandse SS’ers de aftocht dekte van terugtrekkende Duitsers.
In opdracht van die SS’ers begraven omwoners provisorisch het lichaam langs de dijk. De volgende dag wordt het opgehaald en opgebaard in de Grote Kerk van Vollenhove. Met ceremonieel van de BS en Marechaussee wordt Harmen Visser onder grote belangstelling op 21 april te Vollenhove begraven. Illegaal werker ds. Honnef typeert Harmen Visser: “Voor niets en voor niemand bang; stoer, recht door zee, koppig, eenvoudig als Friezen zijn. Uiterst rechtvaardig en daarom soms wat hard lijkend, maar toch, wie hem beter kende, wist hoe een groot en begrijpend en medelijdend hart in hem klopte.” Op 20 december 1945 worden zijn stoffelijke resten herbegraven op het kerkhof van het Friese Oudemirdum.
Aan de onverzettelijke figuur van Harmen Visser herinneren nu een natuurstenen kruis op de dijk bij Schoterzijl op de plaats waar Harmen Visser omkwam en het Harmen Visserplein in Vollenhove, Urk en Emmeloord.
Vollenhove, 15 april 1945, bevrijding, opperwachtmeester Visser met een inwoonster van Vollenhove


