Groen

Groen wordt multifunctioneel ingezet voor waterberging, natuurversterking en het stimuleren van bewegen en ontmoeting. Het inrichtingsniveau moet in overeenstemming zijn met het kwaliteitsniveau van het betreffende structuurdeel waar het ontwerp onder valt.

Contact

Gehighlighte tekst: Jeroen Marissen (0527) 63 34 47 of j.marissen@noordoostpolder.nl

Gehighlighte tekst: Klary de Vries 06 82 83 18 13 of k.devries@noordoostpolder.nl

Ontwerpen

  • Hanteer bij het ontwerp de 3-30-300 regel:
    • 3-regel: vanuit iedere woning zijn minimaal drie volwassen bomen zichtbaar.
    • 30-regel: de minimale boomkroonbedekking is in elke buurt minstens 30%.
    • 300-regel: vanuit iedere woning is er binnen 300 meter een groene verblijfsplek of park (minimaal 1 hectare) aanwezig.
  • Hanteer een norm van minimaal 130 m² openbaar groen per woning binnen iedere woonkern.
  • Hanteer een norm van 15% groen in de openbare ruimte op bedrijventerreinen.
  • Ontwerp nieuwe bossingels en parken in en rond woonwijken, met doorlopende wandelpaden die aansluiten op het ‘rondommetje’ en de groene bosrand van nieuwe wijken.
  • Behoud en herstel de groene brink als centrale ontmoetingsplek.
  • Voorzie routes naar wijk- en dorpsvoorzieningen van groenstructuren die zorgen voor schaduw, beleving en ecologische verbindingen.
  • Bij nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen wordt de verkoelingsladder(externe link) toegepast. 

Situering

  • In nieuwe plannen geldt de norm uit het Beleidsplan openbare ruimte (BOR) voor het te realiseren groen per inwoner.
  • Zorg dat groen past binnen de uitgangspunten van het Beleidsplan openbare ruimte (BOR) en aansluit op bestaande groenstructuren.
  • Zorg dat groen bereikbaar is voor onderhoudsmaterieel en mechanisch beheer.
  • Zorg dat openbaar groen niet direct aan particulier terrein grenst, maar leg bijvoorbeeld een pad of gemetselde erfafscheiding aan om onrechtmatig gebruik van groen tegen te gaan.
  • Maak de inrichting van groenstroken zo dat doorsteken (de vorming van zogenaamde olifantenpaadjes) wordt voorkomen.
  • Versterk de samenhang tussen groen en watergangen langs wegen, met aandacht voor het vergroten van de waterbergende capaciteit.
  • Versterk ecologische verbindingen door onder andere het aanplanten van struweel langs wegen die bossen en andere natuurgebieden met elkaar verbinden.
  • Concentreer groen in samenhangende groenvakken en voorkom versnipperd restgroen.
  • Kies voor een rustige en kwalitatieve uitstraling door terughoudend om te gaan met materialen en aandacht te hebben voor goede maatvoering.
  • Neem sociale veiligheid in acht door rekening te houden met zicht vanuit woningen op parkeervakken, voet- en fietspaden. Geen beplanting zodanig plaatsen dat die de verlichting van paden belemmert.
  • Aandacht voor verkeersveiligheid van uitzichthoeken in bochten van wegen en inritten. 

Materialen

Voor sortimentskeuze en kwaliteitseisen gelden onderstaande uitgangspunten:

  • Bomen: pas soorten van de Noordoostpolder bomenlijst toe (op te vragen bij team Groenbeheer).
  • Voor vaste planten gelden de volgende eisen:
    • Snel (dicht)groeiend,
    • Droogtetolerant,
    • Niet ziektegevoelig,
    • Bestand tegen strooizout,
    • Moet in de Noordoostpolder kunnen groeien (of in overleg).
  • Natuurlijk groen: pas soorten uit xxx link bijlage 5.1 toe. toe.
  • Overige soorten: pas soorten van de Noordoostpolder assortimentslijst toe (op te vragen bij team Groenbeheer).
  • Pas boom- en struiksoorten toe die bijdragen aan biodiversiteit.
  • Zorg voor variatie in bomen, struiken en kruiden en creëer verbindingen tussen openbaar groen volgens Handreiking Groen in en om de Stad (GIOS)(externe link).
  • Inventariseer en waardeer bestaande beplanting, handhaaf en bescherm waardevolle groenelementen.
  • Het gebruik van giftige soorten is niet toegestaan op speelplaatsen, peuterspeelzalen, maneges en schoolterreinen.
  • Het sortiment moet aan kwaliteitseisen voldoen. Voor de omschrijving van de kwaliteitseisen van bomen, heesters enz., xxx link zie bijlage 5.4.
  • Kies soorten die bij voorkeur minder gevoelig zijn voor strooizouten.

Gras en bermen

Berm

Maatvoering

  • Taludhelling maximaal 1:3.
  • Minimale bermbreedte: 1,00 m vanaf de opsluitband met hoogteverschil.
  • Afstand tussen grasrand en obstakels (of tussen obstakels): minimaal 2,00 m (bij verhoogde opsluitband in verband met maaimachinebreedte).
  • Onderhoud 1 m als gazon langs ruig gras naast paden/wegen: neem dit mee in het ontwerp.
  • Stem de bermbreedte af op de werkbreedte van de maaimachine om extra werkgangen te voorkomen.

Materialen

  • Zaai bermen in met bermmengsel B3.
  • Op verzoek opdrachtgever kan gekozen worden voor langzaam groeiende mengsels zoals ‘Slow’.

Beheer

  • Bermen langs wegen ecologisch beheren waar dit technisch mogelijk is en participatie heeft plaatsgevonden. 

Gazon

Situering

  • Plaats geen gazon nabij geparkeerde auto's in verband met bereikbaarheid en schade.
  • Vermijd gazon op moeilijk bereikbare plaatsen zoals rotondes en smalle middenbermen.

Maatvoering

  • Taludhelling maximaal 1:3.
  • Minimale breedte grasstrook: 1,00m bij opsluitband zonder hoogteverschil.  
  • Bij gazon geldt een minimale breedte van 2,20m voor zelfrijdende maaimachine in de volgende situaties:
    • Obstakels
    • Verhoogde opsluitbanden
    • Doorgang
  • Vermijd gazonvakjes die meer dan 500 meter verwijderd van een maairoute liggen.
  • Randvoorwaarden voor minimale oppervlakte per vak: zie het Beleidsplan openbare ruimte (BOR).

Materialen

  • Speelvelden en overige gazonstroken inzaaien met gazonmengsel R1 en R2.

Bloemrijk grasland

  • Zaai in met meerjarig bloemrijk mengsel.
    • Bij tijdelijke bloemenweides kan gekozen worden voor eenjarige mengsels.
  • Stem het mengsel af op grondsoort en groeiomstandigheden (voedselrijkdom, vocht, bezonning).
  • Creëer gunstige omstandigheden voor ontkieming.
    • Verwijder wortelonkruiden en beperk graszaden in de grond.
    • Zorg dat de bodem niet is uitgedroogd of verdicht.
  • Voor een bloemrijk resultaat moet de grond worden verschraald. Stem dit af met gemeente Noordoostpolder, team Groenbeheer.
  • Pas 'netheidsstroken' toe langs verhardingen (minimaal 1m breed). 

Boom- en bosbeplanting

Bomen

Algemeen

  • Werkzaamheden in de kwetsbare boomzone (=kroonprojectie + 1,5m) zijn verboden zonder toestemming van de gemeente Noordoostpolder, team Groenbeheer.
  • Vastgestelde levensduur bomen: >50 jaar. xxx link Zie LIOR-algemene voorwaarden.
  • Het Handboek Bomen (van het Norminstituut Bomen(externe link), het handboek is op te vragen bij team Groenbeheer, gemeente Noordoostpolder) is integraal van toepassing. Raadpleeg ook de poster 'werken rond bomen', van het Norminstituut Bomen(externe link). En gebruik de resultaatsmeter van het Norminstituut Bomen als hulpmiddel.
  • Voer geen machinebewegingen uit binnen de kroonprojectie (in verband met grondzettingen).
  • Ontgravingen en ophogingen mogen alleen plaatsvinden onder toezicht van de beheerder.
  • Ontgravingen met hydraulische machines binnen de kroonprojectie zijn niet toegestaan.
  • Behoud bestaande waardevolle bomen zoveel mogelijk op hun huidige standplaats en ga terughoudend om met kap.
    • Bij werkzaamheden in de omgeving worden bomen ontzien en waar nodig beschermd.
  • Houd rekening met particuliere en gemeentelijke beschermwaardige bomen.
  • Teken bomen op alle plannen (vanaf stedenbouwkundig plan) op schaal in volle wasdom (30 jaar).
  • Afstanden bomen:

Situering

  • Plaats geen bomen in verharding zonder ondergrondse voorzieningen (krattensysteem, boombunker, beluchting, watervoorraad).
  • Houd tussen bomen langs hoofd- en wijkwegen minimaal ¾ kroondiameter afstand (in volgroeide toestand) om dood hout te voorkomen.  
  • Plaats bomen minimaal ½ kroondiameter + 1m (in volgroeide toestand) afstand van verticale objecten.
  • Voorzie in voldoende ruimte voor bomen en hanteer hierbij de richtlijnen uit het Beleidsplan openbare ruimte (BOR) en Handboek Bomen (van het Norminstituut Bomen(externe link), het handboek is op te vragen bij team Groenbeheer, gemeente Noordoostpolder).
    • Dit geldt onder meer voor de afstand tussen bomen en lichtmasten, waarbij rekening wordt gehouden met boomtype en mogelijkheden tot opkronen.
  • Plaats geen nieuwe boom (in volgroeide toestand) binnen een halve kroondiameter van een bestaande boom.
  • Plaats bomen van 3e grootte langs straten/fietspaden minimaal op ½ kroondiameter afstand van de straatgoot om snoei te voorkomen.
  • Plaats beschermende voorzieningen bij bomen op parkeerplaatsen.
  • Plaats bomen zodanig dat ze niet kunnen worden beschadigd bij inparkeren.
  • Plaats bomen zo dat in volwassen toestand het wortelpakket volledig kan uitgroeien.
  • Beperk schaduwoverlast voor bewoners.
    • Schaduw is acceptabel als zon ook een deel van de dag binnenvalt (zie schaduwdriehoek in xxx link bijlage 5.2 en bijlage 5.3).
  • Houd rekening met verminderde groeiruimte voor wortels van bomen in taluds.
  • Voorkom coulissewerking van bomen langs hoofdontsluitingswegen (in verband met uitzicht bij uitritten).

Maatvoering

  • Gebruik voor boommaten (volgroeide toestand) de volgende termen:
    • Bomen 1e grootte: > 15 m hoog en 10 m breed
    • Bomen 2e grootte: 8 t/m 15 m hoog en 7,50 m breed
    • Bomen 3e grootte: < 8 m hoog en 5 m breed
  • Stem de boomkransen af op de diktegroei van de bomen.
  • Bereken de doorwortelbare ruimte met Boommonitor van Norminstituut Bomen (de Boommonitor van Norminstituut Bomen is op te vragen bij team Groenbeheer, gemeente Noordoostpolder). Uitgangspunt: doorwortelbare diepte van 80 cm -mv. Zie het Beleidsplan openbare ruimte (BOR) voor omlooptijd en ambitieniveau.
  • Volg randvoorwaarden voor plantlocatiebreedte volgens Handboek Bomen (van het Norminstituut Bomen(externe link), het handboek is op te vragen bij team Groenbeheer, gemeente Noordoostpolder).
  • Voor eisen en voorwaarden aan afstanden tussen bomen en kabels en leidingen zie het Beleidsplan openbare ruimte (BOR) en Handboek Bomen (van het Norminstituut Bomen(externe link), het handboek is op te vragen bij team Groenbeheer, gemeente Noordoostpolder).
  • Minimale afstand tot ondergrondse container of lichtmast: ½ kroondiameter + 1,00 m (volgroeide toestand) om schade bij legen te voorkomen.
  • Plaats bomen 2,50 m van hoofdriolering (zonder antiworteldoek). Bij 2,50–1,50 m afstand: gebruik antiworteldoek of schermen.

Materialen

  • Beperk gebruik van vrucht(dragende)bomen op verharding bij woningen. In boomspiegels bij waterdoorlatende verharding niet toepassen.
  • Vermijd soorten die gevoelig zijn voor ziekten zoals bacterievuur, iepziekte, kastanjebloedingsziekte, essentaksterfte en watermerkziekte.
  • Vermijd soorten die luizenproblemen veroorzaken bij parkeerplaatsen of trottoirs (bijv. linden).
  • Vermijd soorten met opdrukkende wortels: geen populieren, wilgen of vleugelnoten in verharding of binnen 15 m daarvan.
  • Gebruik geen soorten met allergene pollen in woonwijken en werkgebieden; raadpleeg Bomenkompas als afwegingsinstrument. 

Bosplantsoen

Situering

  • Pas bosplantsoen alleen toe waar sociale veiligheid gewaarborgd is.
  • Gebruik voor natuurlijk groen soorten uit xxx link bijlage 5.1.

Maatvoering

  • Volg randvoorwaarden voor toepassing van dit inrichtingselement volgens het Beleidsplan openbare ruimte (BOR) en Handboek Bomen (van het Norminstituut Bomen(externe link), het handboek is op te vragen bij team Groenbeheer, gemeente Noordoostpolder).
  • Stem soort en aantal af op plantvakgrootte voor een gesloten eenheid.
    • Het eindbeeld bepaalt de minimale breedte van het vak.
    • Zaai klaver in om onkruidgroei te beperken.

Materialen

  • Voor kwaliteitseisen, xxx link zie bijlage 5.4. 

Bos en park

Situering

  • Bos en park vormen een wezenlijk onderdeel van de hoofdgroenstructuur.
  • Ontwerp bos en park als onderdeel van hoofdgroenstructuur en natuurfunctie.
    • De gebieden bieden ruimte voor recreatie en actief natuurbeleving.
  • Dorpsbossen liggen aan randen van stedelijke gebieden en fungeren als scheiding tussen woonwijken.

Maatvoering

  • Minimale oppervlakte voor inrichting met opgaand bos: 1.000 m2.

Materialen

  • Bosvegetatie bestaat uit kern, mantel en zoom; omschrijving, sortiment en afmetingen staan in Beheermaatregelen Dorpsbossen (Beheermaatregelen Dorpsbossen op te vragen bij team Groenbeheer, gemeente Noordoostpolder).
  • Wees terughoudend met meidoorn nabij fruitteeltgebieden.
  • Beperk aanplant van essen vanwege essentaksterfte.

Uitgangspunt

  • In de Beheermaatregelen Dorpsbossen (Beheermaatregelen Dorpsbossen op te vragen bij team Groenbeheer, gemeente Noordoostpolder) staan de bostypen omschreven welke voorkomen in de gemeente Noordoostpolder, dat zijn:
    • Beheergroep Bossingel
    • Beheergroep Hakhout
    • Beheergroep Park- en Dorpsbos
    • Beheergroep Struweel
  • Gebruik een van bovenstaande bostypen als voorbeeld voor ontwerp en sortimentskeuze bij nieuwe bossen.
    • Het gewenste eindbeeld wordt bereikt door deze keuze volgens Beheermaatregelen Dorpsbossen (Beheermaatregelen Dorpsbossen op te vragen bij team Groenbeheer, gemeente Noordoostpolder).

Bodem bedekkende heesters

Situering

  • Plant geen gedoornde gewassen op drukbezochte plaatsen (zwerfvuil blijft hangen).
  • Plant geen gedoornde gewassen langs vakken grenzend aan fietspaden of half verharding.

Maatvoering

  • Plantvakken moeten binnen 3 jaar gesloten zijn om onkruidgroei te beperken: stem soort, kwaliteit en aantal hierop af.
  • Volg randvoorwaarden voor toepassing van dit inrichtingselement.

Materialen

  • Gebruik langs wegen en fietspaden zouttolerante gewassen.
  • Minimale hoogte van gewassen 25 cm (ter beperking van onkruidgroei).
  • Voor kwaliteitseisen, xxx link zie bijlage 5.4. 

Hagen

Maatvoering

  • Volg randvoorwaarden voor toepassing hagen volgens het Beleidsplan openbare ruimte (BOR) en Handboek Bomen (van het Norminstituut Bomen(externe link), het handboek is op te vragen bij team Groenbeheer, gemeente Noordoostpolder).
  • Hoogte van de haag is afhankelijk van de situatie:
    • Tussen ontsluitingsweg en fietspad: max. 50 cm.
    • Langs fietsassen: max. 125 cm.
    • Om parkeervakken: max. 80 cm.
    • In uitzichthoeken van fietsassen en ontsluitingswegen: max. 50 cm.

Materialen

  • Gebruik geen soorten die vaker dan 2 keer per jaar geknipt moeten worden.
  • Ter bescherming van de haag (op kwetsbare plaatsen) plantsoenhekwerk in het hart van de haag verwerken.
  • Voor kwaliteitseisen, xxx link zie bijlage 5.4. 

Heesters en Botanische rozen

Algemeen

  • Vastgestelde levensduur Heesters: 25 jaar. xxx link Zie LIOR-Algemene voorwaarden.

Situering

  • Houd bij uitzichthoeken rekening met lengte en hoogte in het beplantingsplan.
  • Pas langs fietspaden geen gedoornde struiken toe.

Maatvoering

  • Plantvakken moeten binnen 3 jaar gesloten zijn om onkruidgroei te beperken: stem soort, kwaliteit en aantal m² hierop af.
  • Stem soort en aantal af op plantvakgrootte om overhangen te voorkomen: buitenste rij ligt op ca. halve onderlinge rijafstand.
  • Volg randvoorwaarden voor toepassing van dit inrichtingselement volgens het Beleidsplan openbare ruimte (BOR) en Handboek Bomen (van het Norminstituut Bomen(externe link), het handboek is op te vragen bij team Groenbeheer, gemeente Noordoostpolder).

Materialen

  • Gebruik lage struiken (max. hoogte 100 cm) langs fietspaden in verband met sociale veiligheid.
  • Stem sortiment van heesters en bomen af op elkaar, rekening houdend met lichtdoorlatendheid van de boomkroon.
  • Zorg voor voldoende hoogteverschil tussen vakbeplanting en solitairstruiken.
  • Voor kwaliteitseisen, xxx link zie bijlage 5.4. 

Vaste planten

Situering

  • Pas vaste planten alleen toe op A-locaties (centra, busstations) en in hoofdgroenstructuur: niet op kwetsbare, intensief bezochte plaatsen.

Maatvoering

Materialen

  • Gebruik nabij verharding geen uitzaaiende soorten.
  • Gebruik voedingsrijk substraat: type afhankelijk van situatie, aanplantmoment, soort en grondsoort. Minimale laagdikte: 30 cm.
  • Kies onderhoudsarme soorten (bemesting, ziektebestrijding).
  • Selecteer soorten met bodemsluitende eigenschappen. 

Ecologisch groen

Algemeen

Hoofddoel: handhaven en versterken van natuurlijke variatie in leefgemeenschappen.

Situering

Natuurdoeltypen kringloop/natuurlijke processen:
  • Stel bij het ontwerpen van natuurvriendelijk groen de natuurdoeltypen vast.
  • Geef de doelsoorten/levensgemeenschappen aan.
  • Maak bij het ontwerpen gebruik van kringlopen en natuurlijke processen.
Landschaps-ecologische inpassing:
  • Identificeer verblijfsgebieden, verbindingszones en knelpunten in de ecologische zones.
Ontsnipperende maatregelen:
  • Creëer verbindingen met groene structuren, tunnels en andere voorzieningen.
Variatie:
  • Benut gradiëntrijke verschillen (vocht, bodem, kalk, reliëf) om biodiversiteit te vergroten.
  • Creëer overgangsmilieus tussen water en land door ruimte voor oevers.
  • Pas natuurvriendelijke oevers toe (helling 1:4 of flauwer) met oeverbeschermende beplanting zoals riet en biezen om technische bescherming te vermijden.

Maatvoering

  • Stem de maatvoering van water/natuurlijke oever af op de beoogde natuurdoeltypen en het onderhoudsmaterieel.
  • Zorg dat oevers (in beheer van de gemeente) toegankelijk zijn voor maaimaterieel.
  • Pas plasbermen toe met max. diepte 40 cm en talud 1:4 of flauwer om verdrinkingsgevaar te beperken.

Materiaal

  • Gebruik inheems plantmateriaal, xxx link zie tabel 5.1.