Riolering

Contact

Gehighlighte tekst: Klaas Bakker (0527) 63 39 11 of k.bakker@noordoostpolder.nl

Algemeen

De gemeente volgt bij het ontwerpen, realiseren en beheren de richtlijnen uit de Kennisbank Stedelijk Water. De gemeente werkt de hoofdlijnen voor stedelijk water, zoals vastgelegd in de omgevingsvisie, uit in een Water- en Rioleringsprogramma (Wrp). Hierin beschrijft de gemeente hoe zij haar wettelijke zorgtaken voor stedelijk water, hemelwater en grondwater concreet invult.

Daarnaast is de gemeente actief bezig met specifiek klimaatbeleid, mede in het kader van het nationale Deltaplan Ruimtelijke Adaptie. Net als het Rijk en provincie moet de gemeente in haar omgevingsvisie een lange termijnstrategie van de gehele fysieke leefomgeving vastleggen (artikel 3.2 Omgevingswet).

Dit beleid wordt per beleidsterrein op hoofdlijnen uitgewerkt in programma's. Voor Stedelijk Water is dit het Water- en Rioleringsprogramma. Eventuele afwijkingen worden vastgelegd in een specifiek programma van eisen.

  • Het rioleringsplan wordt ter kennisgeving toegestuurd aan het waterschap.
  • Het rioleringsplan dient te passen binnen de omliggende rioleringsstructuur.
  • Maximaal afkoppelen van regenwater geldt als uitgangspunt.
  • Riolering die buitengebruik wordt gesteld dient te worden verwijderd.
    • Als verwijderen niet mogelijk is, moet de leiding worden vol geschuimd.

Kleurcodering

  • Gemengde stelsels en DWA-riolering (PVC): roodbruin (RAL 8023).
  • HWA-riolering: grijs (RAL 7037) of groen (RAL 6024).
  • Dit geldt ook voor standleidingen. 

Voor andere typen leidingen dient in overleg met de gemeente Noordoostpolder een kleur worden vastgesteld.

Levensduur

De vastgestelde levensduur per element:

  • Riolering: 80 jaar.
  • Kolk en huisaansluitingen: 40 jaar.

Ontwerp

Algemene uitgangspunten

  • Van het ontwerp dienen de tekeningen en berekeningsgrondslagen te worden ingediend.
  • Uitgangspunt voor het ontwerp is een gescheiden stelsel (GS).
  • Riolering moet altijd in openbaar gebied worden gesitueerd, niet op particulier terrein.

Ligging van de riolering

  • Situeer de riolering in de rijbaan, bij voorkeur in of nabij het midden van de rijbaan.
  • Ontwerp de riolering zo dat de stamriolering in de wegen van ondergeschikt belang komen te liggen.
    • Reden: In geval van reparaties is het verkeer op een weg van lagere orde eenvoudiger om te leiden.

Structuur van stelsels

  • Ontwerp het HWA-stelsel volgens een maasstructuur.
  • Ontwerp het DWA-stelsel volgens een boomstructuur.

Verhang en maatvoering 

  • Bodemverhang DWA:
    • 1:500 voor de eerste 200 meter.
    • 1:700 voor het verdere traject naar het gemaal of afvoerend stelsel.
  • Bodemverhang HWA:
    • Nagenoeg horizontaal, bij voorkeur met lichte helling.
  • Voorkom sprongen in de maatvoering van de binnen-onderkant-buis (b.o.b.) in de doorgaande ververvalleiding van een stelsel.

Aansluitingen en verbindingen

  • Verbindingen tussen HWA- en DWA-stelsels zijn niet toegestaan.
  • Persleidingen niet inprikken op bestaande putten zonder coatings op vrijverval rioolleidingen.
    • Voorkeur: aansluiting via een H²S-ontluchtingsput van PE/HDPE materiaal.
  • Persleidingen inprikken op vrijvervalleidingen is in alle omstandigheden niet toegestaan.
  • Huisaansluitingen moeten altijd gescheiden worden aangeboden.
    • Afhankelijk van het plangebied kan worden verlangd dat hemelwater op de perceelgrens bovengronds wordt aangeboden.
  • Bij betonnen hoofdriolen moeten uitleggers ≥ 200 mm worden aangebracht op de inspectieput.
  • In overleg met de gemeente Noordoostpolder kunnen uitleggers ≥ 200 mm via een PVC T-stuk op een PVC-hoofdleiding worden aangesloten. 

Afstanden en diameters

  • Minimale afstand tussen twee kruisende leidingen: 0,20 m.
  • Maximale afstand tussen twee inspectieputten:
    • 50 m (standaard).
    • Voor regenwaterriool: bij uitzondering 70m.
  • Minimale diameter hoofdleiding:
    • DWA: Ø 250 mm.
    • HWA: Ø 315 mm.
  • Dekking op een leiding:
    • Minimaal 1,00 m.
    • Bij huis- en kolkaansluitingen: minimaal 1,20 m.

Aanleg en grondverbetering

  • Bij aanleg:
    • Grondverbetering van minimaal 0,30m zand onder en naast de leiding.
    • Aanvullen met zand tot 60 cm onder toekomstig maaiveld, indien de leiding niet in vast zand ligt. 

Overstorten en lozingen

  • Riooloverstorten voor gemengde stelsels mogen niet worden aangelegd.
  • Indien een overstort noodzakelijk is:
    • Vereiste vergunningen aanvragen.
    • Altijd in samenspraak met de gemeente Noordoostpolder en Waterschap Zuiderzeeland.
  • Uitgangspunt: geen extra lozingen van gemengde stelsels op oppervlaktewater.
  • Lozingspunten van hemelwater: altijd aan goed doorspoelbaar oppervlaktewater en wadi's.

Bijzondere constructies

  • Zorg ervoor dat bijzondere constructies goed bereikbaar zijn voor inspectie, bemeten en bemonsteren.
  • Zinkerconstructies:
    • Niet toegestaan in DWA-stelsel.
    • Bij voorkeur niet in HWA-stelsel, voorkeur gaat uit naar een kruisingsput.
    • Als toch toegepast, aan beide zijden een inspectieput met zandvang. 

Afstand tot bomen

  • Afstand tussen boom en hoofdriool: minimaal de buitenkant van de kroon van een volgroeide boom.
  • Indien boom al volgroeid: riolering nog eens 1,5 m buiten de kroon aanleggen.

Uitstroomvoorzieningen

  • Uitstroom tot Ø 315 mm: voorzien van betonnen taludbescherming.
  • Bij grotere diameters: betonnen uitstroombak toepassen.
  • Ter plaatse van de uitstroming: bodembescherming aanbrengen. 

Percelen grenzend aan open water

  • Percelen ± 550 m²:
    • “Schoon dak en terreinwater” mag met één afvoerbuis lozen op open water.
  • Percelen > 550 m²
    • Lozing via twee of meerdere afvoerbuizen, afhankelijk van perceelgrootte.
    • Aantal uitmondingen tot een minimum beperken.

Extra aandachtspunt

  • Ontwerp indien mogelijk HWA-stelsel boven het grondwaterniveau, zodat leidingen leegstromen.
    • Opmerking: dit komt in gemeente Noordoostpolder zelden voor.

Afkoppelen

Algemeen uitgangspunt

  • Streef ernaar dat in nieuwe situaties 100% van het schone verharde oppervlak het hemelwater niet hoeft te lozen op een stelsel dat afvoert naar een zuiveringsinstallatie.
  • Het doel is om zoveel mogelijk verhard oppervlak af te koppelen. 

Beslisboom 

  • Gebruik bij het afkoppelen een beslisboom als hulpmiddel.
    (Een beslisboom ondersteunt de afweging om verharde oppervlakken wel of niet aan te sluiten op de riolering).

Specifieke richtlijnen

  • Op advies van de gemeente kan worden aangegeven dat HWA alleen op maaiveldniveau mag worden aangeboden.
  • De gemeente neemt geen brandstof-, olie-, vetafscheiders of vergelijkbare filters in beheer.
  • Bij berminfiltratie: Hanteer de eisen van het Waterschap Zuiderzeeland.
  • Bij het ontwerp van een wadi: volg de publicatie van Stichting RIONED: “Wadi’s: aanbevelingen voor ontwerp, aanleg en beheer.” 

Kwaliteit van het aangeboden water

  • Afvalwater op de overgang van particulier naar gemeentelijk riool moet voldoen aan de Wet milieubeheer.
  • Eisen voor het plaatsen van voorzieningen (volgens milieuwetgeving) worden per geval geformuleerd door cluster Fysieke Leefomgeving.
  • Gemeente Noordoostpolder hanteert de landelijke stelregel voor regenwater:
    • Vasthouden – Bergen - Afvoeren
    • Schoonhouden - Scheiden - Zuiveren

Dimensionering

Algemene uitgangspunten

  • Maak een tekening waarop alleen riolering staat.
  • Bereken in overeenstemming met de Leidraad riolering, module C2100.

Rekenregels voor regenwater

  • Reken het systeem door met minimaal regenbui T=100 (70 mm in één uur) uit de reeks.
  • Hanteer een waking van 0,35 m1 in het stelsel.
  • Verdisconteer het verharde oppervlak met de volgende factoren:
    • 0,80 bij elementenverharding en platte daken.
    • 1,0 bij overige verharding en hellende daken.
  • Controleer bij een bui T=100 + 10% klimaatcorrectie of er nergens water in woningen of vitale voorzieningen stroomt.
    • Belangrijk: Het rioolstelsel hoeft niet maatgevend te zijn; de openbare ruimte moet zodanig worden ingericht dat tijdelijk regenwater kan worden geborgen. 

Rekenregels voor afvalwater

Reken met de volgende waarden:

  • Gemiddelde woningbezetting: 2,6 inwoners.
  • Dagelijkse afvalwaterproductie: 125 liter per inwoner per etmaal.
  • Maximale lozing: 12 uur per uur per inwoner.

Minimale diameters

  • Stamriolen voor alle type stelsels: minimaal Ø 250 mm inwendig, ook als de capaciteitsberekening anders uitvalt.
  • Overigens als aanvulling op de bovenstaande regel geldt er voor de DWA-stelsels nog een voorwaarde namelijk, dat deze buizen 1 buismaat groter dienen te worden dan uit de gewenste rioolcapaciteitsberekening naar voren komt. 

Aan- en afkoppelen verhard oppervlak

  • Volg de Leidraad aan- en afkoppelen verhard oppervlak en de publicatie: “Beslisboom aan- en afkoppelen verhard oppervlak 2003” (Werkgroep Riolering West-Nederland).
  • Stem af met gemeente en volgens het huidige beleid zoals vastgelegd in het Watertakenplan. 

Specifieke situaties

  • Bij wegen met > 1000 voertuigbewegingen per etmaal: afvoer van HWA via bermpassage.
    • Dit geldt ook bij > 50 parkeerplaatsen (Navraag bij het waterschap).
  • Binnen stedelijk gebied:
    • Aanhouden dat 60% van het totale perceeloppervlak verhard is (incl. Woningoppervlak).
  • Industrieterreinen:
    • Verhardingspercentage: 90%.

Hoofdsysteem Buizen

Materiaal en situering

  • Stem materiaal van buis en put op elkaar af.
  • Materiaalkeuze is afhankelijk van diameter:
    • Tot en met Ø 400 mm: KOMO-gecertificeerd PVC, klasse SN8.
    • Grotere diameters tot Ø 800 mm: KOMO-gecertificeerd kunststof, klasse SN16, of KOMO-gecertificeerd beton.
    • Groter dan Ø 800 mm: KOMO-gecertificeerd beton.
  • Leidingen die dieper dan 3 meter onder het maaiveld liggen:
    • Voorkeur: KOMO-gecertificeerd kunststof (klasse SN16) of KOMO-gecertificeerd beton.
  • Voor regenwaterriolen kunnen infiltratiebuizen (IT) of ex-filtratiebuizen (DT) worden toegepast:
    • Keuze voor infiltratie- of ex-filtratiesystemen en bijbehorende buizen moet altijd in overleg met de directie (gemeente Noordoostpolder) plaatsvinden.
    • Specificaties van het systeem en materiaal worden door de opdrachtgever bepaald.
    • Gezien voortschrijdende ontwikkelingen worden geen specifieke typen leidingsystemen voorgeschreven in dit document.

Materiaal en toepassing

Kleur:

  • Gemengde stelsels en DWA-riolering (PVC): roodbruin (RAL 8023). Dit geldt ook voor standleidingen
  • HWA-riolering: grijs (RAL 7037) of groen (RAL 6024). Dit geldt ook voor standleidingen.
  • Voor andere typen leidingen (niet onder riolering): kleur vaststellen in overleg met gemeente Noordoostpolder. 

Buisverbindingen:

Buislengtes:

  • Beton: standaard 2,40 m.
  • PVC: standaard 10 m of 5 m, met aangevormde of losse verbindingsmof. 

Verbindingen:

  • Betonbuizen: mof-spie verbinding met rubbermanchet.
  • PVC-leidingen: minimale onderlinge afstand 0,50 m. 

Inlaten:

  • Op PVC-hoofdriool (afhankelijk van diameter): uitvoeren met knevelinlaten.
  • Op beton-hoofdriool: uitvoeren met instortmoffen.

Wapening betonbuizen:

  • Afhankelijk van verkeers- en grondbelasting. Leverancier dient dit met berekeningen aan te tonen.

Putten

Materiaal en situering

Stem materiaal van put en buizen op elkaar af. 

Toe te passen materialen:

  • Beton
  • Polyethyleen (PE)
  • Glasvezelversterkt kunststof (GVK).

Voor betonnen putten:

  • Gebruik geprefabriceerde elementen.
  • Uitvoering conform NEN 7126, NEN 7035 en voorzien van KOMO-keur.

Voor PE-putten:

  • Voorzien van KOMO-keur volgens BRL 2017.

Inspectieputten

  • Inspectieputten moeten zijn voorzien van een stroomprofiel om vuilafzetting te voorkomen (prefab af fabriek of in het werk aangebracht).
  • Hoekverdraaiingen zitten in de putten.
  • Kunststof putten moeten voorzien zijn van flexibele aansluitingen om hoekverdraaiingen en zettingen tot 7,5° in alle richtingen op te kunnen vangen.
  • Minimale afmetingen:
    • Inspectieputten: inwendige doorsnede 800 mm x 800mm of diameter van 800mm.
    • Materiaal: PE/PP inspectieput voorzien van telescoopschacht.
  • Diepe inspectieputten:
    • Dieper dan 1,5 meter onder het maaiveld: beton verplicht.
    • Dieper dan 2,5 meter onder het maaiveld: minimale inwendige doorsnede 1000 mm x 1000 mm of diameter 1000 mm.
    • Dit als aanvulling op voorschriften van de leverancier m.b.t. aan te sluiten buisdiameters.

Aansluitingen

  • Achteraf aangebrachte inlaten: volgens opgave leverancier.
  • Bij betonputten: gebruik instortmoffen.
  • Leidingen bij sparingen aanstorten.
  • Bij kunststof leidingen: gebruik instortmoffen.
  • Zo min mogelijk verval in een put i.v.m. H2S (waterstofsulfide) vorming.

Putranden

  • Pas putranden met een deksels toe die eenvoudig met een puthaak te openen is.
  • Stem de sterkte van de putrand en het deksel af op de gewenste verkeersklasse.

Persleiding

Materiaal en situering

  • Persleidingen met een diameter t/m 355 mm uitvoeren in polyethyleen (PE-100, PN10, SDR17, KOMO-keur, kleur zwart).
  • Persleiding nabij het rioolgemaal voorzien van een voorziening voor het doorspuiten van de leiding of het inbrengen van een foam-pig.
  • In de persleiding (getrokken) bochten uitvoeren met een bochtstraal van bij voorkeur 5D, echter minimaal 2,5D.
  • De helling in zinkers kleiner dan 30 ° uitvoeren in verband met luchtinsluiting.
  • De gewenste gronddekking op een persleiding is minimaal 1,25m.
  • De stroomsnelheid in de persleidingen is minimaal 0,70m/sec. en maximaal 1,50m/sec.
  • PE-leidingen lassen op de onderlinge verbindingen.
  • PE-leidingen met een diameter t/m 90 mm mogen met Plasson-klemkoppelingen onderling verbonden worden.
  • Breng 20 cm boven de persleiding groen waarschuwingslint aan voorzien van de tekst "PERSLEIDING"

Ontvangput persleiding

  • Plaats een kunststof PP/ PE-ontvangs- inspectieput van minimaal Ø 1000 mm, of een betonnen gecoate inspectieput van minimaal 1000 x 1000 mm bij de uitmonding van persleidingen. 
    Dit in overleg met gemeente Noordoostpolder
  • Laat persleidingen > Ø 63 mm uitstromen in een H²S ontluchtingsput van Kunststof HDPE (zie tekening).
  • Aan het einde van de uitstroomleiding in de ontvangende inspectieput (indien mogelijk) een terugslagklep plaatsen.
Ontluchtingsput

Aansluitpunten Kolken

Algemeen

  • Pas PP kolken (Polypropyleen) toe. Stem het type kolk af met de projectleider van de gemeente.
  • Betonkolken alleen na overleg met de directie (gemeente Noordoostpolder). Dit geldt in ieder geval voor groep 4 (kolken in de rijbaan).
  • Op speelplekken uitsluitend kolken met veiligheidssluiting.
  • Vermijd kolken nabij speelvoorzieningen met zand, grind, snippers of vergelijkbare materialen.

Toepassingsgebieden (verkeersklasses)

De verkeersklasse zijn onder te verdelen in onderstaande groepen (Volgens NEN-EN-124):

GROEP 1: A-15 

  • Zones uitsluitend gebruikt door voetgangers en fietsers. 

GROEP 2: B-125

  • Voetpaden, voetgangerszones en vergelijkbare zones, parkeerzones met verdiepingen voor auto’s. 

GROEP 3: C-250

  • Voor afdekkingen die geplaatst worden in de zone van de goot langs de voetpaden en die, gemeten vanaf de trottoirband van het voetpad, maximaal tot 0,5 meter in de rijweg en tot maximaal 0,2 meter in het voetpad liggen. 

GROEP 4: D-400

  • Rijgedeeltes van wegen met inbegrip van voetgangersstraten, verharde zijbermen en de parkeerzones voor alle typen van voertuigen.

Situering

  • Aansluiting bij voorkeur aan achterzijde
    • Bij kolken op of tegen perceelgrens geen achter aansluiting richting particulier gebied. In die situaties zijaansluiting toepassen.
  • Geen aansluiting onder gesloten verharding.
  • Kolkkoppen aanpassen op type goten/banden.
  • Bij wegen met kantopsluiting: straat- of trottoirkolken toepassen.
  • Plaats de kolken zodanig dat snelle en veilige waterafvoer is gewaarborgd.
  • Bij het plaatsen mag niet het maximaal toelaatbare verhard oppervlak worden overschreden.
  • Bij parkeervakken kolken plaatsen op kruising van molgoot en scheiding tussen parkeerplaatsen.
  • Situeer kolken nabij tangentpunten.
    • Plaats de kolk minimaal 1 m uit de tangentpunt van de bocht (in de rechtstand).
  • Minimaal 3 m afstand tussen kolken en snelheids remmende drempels.
  • Beperk het aantal kolken, dat niet machinaal kan worden gereinigd, tot een minimum.
  • Geen kolken ter plaatse van inritten naar eigen terrein of invalide inritten.
  • Gebruik geen elementen van lijnafwatering (zandvangers) als kolk.
  • Lijnafwatering aanleggen volgens richtlijnen leverancier en volledig doorspuitbaar uitvoeren.

Aansluitleiding

  • Kolkafvoerleiding op gemeentelijke stelsel uitvoeren in PVC, minimaal Ø 125 mm, kleur grijs (RAL 7037) toe.
  • Leidingen en hulpstukken uitvoeren in minimaal klasse SN8.
  • Sluit maximaal een oppervlak van 500m2 op een buis Ø 125 mm aan.
  • Kolkleidingen > Ø 160 mm rechtstreeks aansluiten op inspectieputten.
  • Hoekverdraaiingen opbouwen met bochten van maximaal 45°.
  • Direct na de kolk bochtconstructie naar beneden aanbrengen voor voldoende dekking.
  • Bodemverhang kolkleidingen: 1:100.
  • Minimale dekking: 0,70 m.
  • Verbinding tussen afvoerleiding en standpijp uitvoeren met flexibele stromings-T-stukken of bochten, voorzien van zettingstuk ≥ 60 mm.
  • Leidingen zoveel mogelijk buiten wortelgebied van bomen situeren. 

Perceel aansluitingen

Materiaal en situering

  • Maak perceelaansluiting op gemeentelijke stelsel met pvc-buis van minimaal Ø 125 mm.
  • Leidingen en hulpstukken uitvoeren in minimaal klasse SN8.
  • Kleur:
    • DWA-afvoer: roodbruin (RAL 8023).
    • HWA-afvoer: grijs (RAL 7037).
  • Maximale lengte perceelaansluiting: 40 m, vanaf hoofdriool t/m perceelgrens.
  • Leg de leidingen zo rechtstreeks mogelijk aan.
  • Zorg ervoor dat leidingen buiten het wortelend gebied van bomen liggen.

Overnamepunt

  • Plaats 50 cm binnen perceelgrens op particulier terrein een put/ontstoppingsstuk als overname punt van particulier naar gemeentelijk.
  • Elk type afwatering krijgt een eigen overname punt (put/ontstoppingsstuk).
  • Op industrieterreinen kan een stankdichte monsternameput (PE) worden voorgeschreven, afhankelijk van bedrijfsactiviteiten.

Aansluiting

  • Verbinding afvoerleiding met standpijp uitvoeren met flexibele stromings-T-stukken of bochten, voorzien van zettingstuk ≥ 60 mm.
  • Locaties en hoeveelheid standpijpen beperken tot gewenste hoeveelheid en afstemmen met directie (gemeente Noordoostpolder) om ongebruikte standpijpen te voorkomen. 

Diepteligging

  • Woongebieden: leiding voor HWA/DWA-rioolaansluiting op de erfgrens aanbieden op 0,80 – 0,90m beneden de as van de weg.
  • Industriegebieden: leiding voor HWA/DWA-rioolaansluiting op de erfgrens aanbieden op 1,25 – 1,40m beneden de as van de weg.

Uitbreidingsplannen

  • Voor woningbouw uitbreidingsplannen (niet bedrijfsterreinen): voorkeur om geen riooluitleggers aan te brengen.
  • Aanbeveling:
    • Voldoende opzetstukken met zettingsmoffen op gemeentelijke hoofdriolen aanbrengen.
    • Opzetstukken boven grondwaterniveau afdoppen. 

Drainage

Particulier terrein

  • Afhankelijk van stelseltype in de wijk bepalen hoe drainagewater wordt aangeboden.
  • Drainage alleen aansluiten op HWA-stelsel.
  • Drainage mag op gemengde stelsel worden aangesloten mits het regenwater uit kruipruimte onder woning komt:
    • Onttrekking niet lager dan 0,80-0,90 m beneden vloerpeil.
  • Drainage mag nooit op een DWA-stelsel worden aangesloten.
  • Uitgangspunt: regenwater op eigen terrein infiltreren.
  • Bij aansluiting op gemeentelijk HWA-stelsel of gemengd stelsel: toepassing van put met zandvang verplicht.
  • Aansluiting op oppervlaktewater: vergunning aanvragen bij Waterschap Zuiderzeeland.

Openbaar gebied

  • Toon met een berekening aan dat het drainagestelsel kan voldoen aan de eis voor de drooglegging.
  • Breng waar nodig drainage aan. Laat deze drainage direct lozen op het oppervlaktewater, drainagestelsel of HWA-stelsel
Doorspuitput bij diepliggende drainage
  • Minimale diameter drainage met een ontwateringsfunctie: Ø 80 mm.
  • Systeem voorzien van PE-doorspuitputten minimaal Ø 315 mm met beton/gietijzeren deksel.
  • Bij voorkeur aansluiten op inspectieputten
  • Doorspuitputten met diameter ≥ 315 mm, putdeksels voorzien van tekst "Drainage.”
  • Geen koppelingen/aansluitingen van drainage op DWA-stelsel en gemengd stelsel.
  • Breng waar mogelijk drainage onder waterpeil aan om vervuiling door ijzer en wortelgroei te voorkomen.
  • Bescherm uitmondingen van drainage in watergangen.
  • Voorzien het drainagestelsel van meerdere uitmondingen.

Doorspuitvoorzieningen

  • Drainage reinigen via doorspuitvoorziening met een hogedruk reinigings- apparatuur, waarbij de doorspuitpunten bereikbaar moeten zijn.
  • Drainages moeten ook vanuit een watergang via een doorspuitvoorziening reinigbaar zijn.

Horizontale drainage

  • Horizontale drainage ten behoeve van aanleg van funderingscunet of riolering is niet toegestaan.
    • Reden: achterblijvende drainage kan later bij herstelwerkzaamheden leiden tot droogzettingsproblemen

Verticale drainage

Tijdelijke verticale drainage is toegestaan bij:

  • Aanleg van funderingscunet
  • Vervanging van riolering

Voorwaarden tijdelijke verticale drainage:

  • Funderingsconstructies van omliggende bebouwing moeten de tijdelijke grondwaterverlagingen kunnen weerstaan.
  • Deskundige toetsing vooraf om invloed op omgeving te beoordelen.
  • Ter onderbouwing en goedkeuring van dergelijke grondwater ontwatertechnieken moet de nodige bouwkundige expertise rapportage ten grondslag liggen.
  • Deze bouwkundige rapportage dienen door een erkende bouwkundige expert vroegtijdig en op voorhand van het uitvoeringstraject bij de directie (opdrachtgever Noordoostpolder) te worden ingediend.

Verticale drainage t.b.v. afwatering mag alleen na:

  • Deskundige toetsing van mogelijke neveneffecten.
  • Goedkeuring door directie op basis van bouwkundige rapportage. 

Drainage als onderdeel infrastructuur

Drainage dat functioneel onderdeel wordt van nieuwe infrastructuur:

  • Controle werking via doorspuitvoorzieningen na afronding werkzaamheden
  • Rapportage indienen bij directie (gemeente Noordoostpolder).

Revisie

Algemeen

  • Ten behoeve van de uitgevoerde werkzaamheden te verrichten metingen dienen digitaal te worden uitgevoerd koppelen aan het Rijksdriehoeksnet.
  • Hoogtematen vastleggen ten opzichte van NAP.
  • De gegevens digitaal vastleggen op door de opdrachtgever/directie beschikbaar gestelde ondergrond met aanwezige gemeentelijke rioleringsleidingen, in DWG-formaat.
  • De metingen en verwerkingen van meetgegevens betreffen alle uitgevoerde werkzaamheden, inclusief de verwijderde leidingen.
  • Revisietekeningen moeten een getrouwe weergave van de nieuwe toestand geven en worden aangeleverd volgens NLCS (Nederlandse CAD Standaard).
  • Revisie aanleveren:
    • Digitaal: DWG-formaat (laagindeling volgens NEN1878).
    • Analoog: enkelvoudig uitgewerkt exemplaar.

Riolering

Van de riolering dienen de volgende onderdelen te worden weergegeven:

  • Ligging alle (hoofd- en aansluit-) leidingen in horizontale en verticale zin (x, y en z coördinaten) met kenmerkende hoogten en diameters.
  • Materiaalaanduiding verwerkte leidingen.
  • Plaats en afmetingen constructies met bijbehorende hoogten van putten.
  • Plaats en type kolken.
  • Hoogten van putten: stroomprofiel en b.o.b. instromende leidingen en bovenzijde putrand.
  • Inmeten locatie inlaten (vastgelegd in x, y en z coördinaten).
  • Begin en eind van mantelbuizen.
  • Plaats en details uitstroomvoorzieningen.
     
  • Minimale weergave volgens NPR 3218.
  • Alle verwijderde rioolleidingen dienen vermeld te worden.

Riool inspecties

  • Naast de revisies moet er ook rioolinspecties worden aangeleverd volgens:
    • Leidraad voor visuele inspectie van de buitenriolering volgens NEN-EN 13508-02 (2019).
  • Inspectiegegevens aanleveren in RIBX-bestand. 

Drainage

Van de riolering dienen de volgende onderdelen te worden weergegeven:

  • Ligging leidingen in horizontale en verticale zin (x, y en z coördinaten) met kenmerkende hoogten en diameters.
  • Plaatsen van doorspuitpunten/-putten.
  • Materiaal en constructie van verwerkte onderdelen.
  • Vermelden bochtstralen.
  • Details doorspuitpunten/-putten.
  • Plaats en details uitstroomvoorzieningen.