Logo van undefined dat doorverwijst naar de homepage
Logo van undefined dat doorverwijst naar de homepage

LIOR - Rioleringen

Klaas Bakker (0527) 63 34 63 of k.bakker@noordoostpolder.nl

Buizen

Materiaal en situering

Stem materiaal van buis en put op elkaar af.

  • Het materiaal voor de leidingen is diameterafhankelijk: tot en met Ø 400 mm uitvoeren in KOMO gecertificeerd kunststof klasse SN8.
  • Grotere diameters tot Ø 800 mm uitvoeren in KOMO gecertificeerd kunststof (voorkeur) klasse SN16 of KOMO gecertificeerd beton. Groter dan Ø 800 mm KOMO gecertificeerd beton.
  • Leidingen die dieper dan 3 meter beneden het maaiveld wordt bij voorkeur KOMO gecertificeerd kunststof Klasse SN16 toepast of KOMO gecertificeerd beton.
  • Voor regenwaterriolen wordt in sommige gevallen ook (IT) Infiltratie buizen / riolen of (DT) Exfiltratie drainage buizen / riolen toegepast. De keuze in deze infiltratie en exfiltratie systemen en bijbehorende buizen / leidingen dienen nadrukkelijk met de directie (opdrachtgever gemeente Noordoostpolder) te worden besproken. Binnen het grondgebied van de gemeente Noordoostpolder is het dan ook aan de directie / opdrachtgever om aan te geven welk systeem wordt toegepast met de daarbij behorende specificaties m.b.t. het te gebruiken materialen. Gelet op de voortschrijdende ontwikkelingen in de leidingsystemen worden dan ook geen typen in dit document voorgeschreven. 

Materiaal en toepassing

Kleur:

  • Voor gemengde stelsels en DWA-riolering, in PVC uitgevoerd, dient de roodbruine (RAL 8023) te worden toegepast; Dit geldt ook voor de standleidingen.
  • Voor HWA-riolering dient de kleur grijs (RAL 7037) of groen (RAL 6024) te worden toegepast. Dit geldt ook voor standleidingen.
  • Voor andere typen leidingen (niet onder de noemer rioleringen) dient in overleg met de gemeente Noordoostpolder een kleur worden vastgesteld.

Buisverbindingen:

  • Buislengte beton standaard 2,40m, Buislengte PVC standaard 10 of 5m met aangevormde of losse verbindingsmof.
  • Buisverbindingen betonbuizen door middel van mof spie met rubbermanchet verbinding.
  • Wapening betonbuizen is afhankelijk van verkeers- en grondbelasting. Leverancier dient dit met berekeningen aan te tonen.
  • Houdt op een PVC-leiding een minimale onderlinge afstand van 0.50 m aan.
  • Inlaten op PVC hoofdriool (afhankelijk van de diameter) uitvoeren met behulp van knevelinlaten.
  • Inlaten op beton hoofdriool uitvoeren met instortmoffen.

Drainage

Particulier terrein

Afhankelijk van het stelseltype in de wijk dient bepaald te worden hoe drainagewater aangeboden kan worden. Drainage mag alleen worden aangesloten op een HWA stelsel.

Drainage mag ook op het gemengde stelsel worden aangesloten mits het (regen)water uit een kruipruimte onder een woning betreft. Het (regen)water in de kruipruimte mag dan ook niet lager dan 0,80 à 0,90 meter beneden het vloerpeil via drainage worden onttrokken en via het gemeentelijke gemengde stelsel worden afgevoerd.

Drainage mag nooit op een DWA stelsel worden aangesloten.

Het uitgangspunt is dat regenwater op eigen terrein geïnfiltreerd dient te worden.

  • Bij aansluiting op het gemeentelijk HWA stelsel of gemengd stelsel is toepassing van een put met zandvang verplicht.
  • Als drainage wordt aangesloten op oppervlaktewater, dan dient een vergunning bij het Waterschap Zuiderzeeland aangevraagd te worden.

Openbaar gebied

  • Toon met een berekening aan dat het drainagestelsel kan voldoen aan de eis voor de drooglegging.
  • Breng daar waar nodig drainage aan. Laat deze drainage direct lozen op het oppervlakte water, drainagestelsel of HWA stelsel.
  • Voor de drainage met een ontwateringfunctie is de minimale diametereis Ø 80 mm en is het systeem voorzien van PE-doorspuitputten (onderstaande schets) minimaal Ø 315 mm, voorzien van beton/gietijzeren deksel of drainage aansluiten op HWA stelsel (indien aanwezig dient dit in overleg met gemeente plaats te vinden). Bij voorkeur aansluiten op inspectieputten. Model doorspuitputten bij diameter 315 mm of bij diameter groter dan 315 mm, voorzien van tekst "Drainage" in putdeksel.
  • Voor het openbare gebied geldt dat koppelingen en/of aansluitingen van drainage op het DWA stelsel en gemengde stelsel niet zijn toegestaan.
  • Breng waar mogelijk de drainage onder het waterpeil aan in verband met mogelijke vervuiling door ijzer en voorkoming wortelingroei.
  • Bescherm uitmondingen van drainage in watergangen.
  • Voorzien het drainagestelsel van meerdere uitmondingen.
  • Horizontale drainage ten behoeve van aanleg funderingscunet voor weg niet toegestaan. Tijdelijke verticale drainage ten behoeve van aanleg funderingscunet wel toegestaan.
  • Overigens voordat verticale drainage t.b.v. afwatering voor de wegverhardingen kan worden toegepast, zijn er wel eerst deskundige toetsingen noodzakelijk, die de invloed van de vertikale drainage tot de omgeving kan beoordelen.(zoals mogelijke beïnvloeding op funderingsconstructies van gebouwen of andere negatieve (neven) effecten. Dergelijke toetsingen dienen altijd te worden voorgelegd aan de directiie (opdrachtgever gemeente Noordoostpolder)
  • De drainage dient vanuit een doorspuitvoorziening te kunnen worden  gereinigd  met een hogedrukreinigings- apparatuur, waarbij de doorspuitpunten bereikbaar dienen te zijn.
  • Drainages dienen overigens ook vanuit een watergang met een doorspuitvoorziening te kunnen worden gereinigd.
  • Drainage kan ook worden toegepast als grondwaterstanden  ongewenst kunnen wijzigen bij vervanging van riolen. Dit dient dan wel op voorhand (geohydrologisch) te worden onderzocht.
  • Bij het vervangen van riolering geldt hetzelfde als voor de aanleg van een funderingscunet,  tijdelijke verticale drains zijn toegestaan mits de funderingsconstructies van de mogelijke aanwezige bebouwing rondom het werk de (tijdelijke) grondwaterverlaging kunnen weerstaan. Ter onderbouwing en goedkeuring van dergelijke grondwater ontwatertechnieken  moet(en) de nodige bouwkundige expertise rapportage(s) ten grondslag liggen. Deze bouwkundige rapportage(s) dienen door een erkende bouwkundige expert vroegtijdig en op voorhand van het uitvoeringstraject bij de directie ( opdrachtgever Noordoostpolder) te worden ingediend.
  • In principe geen horizontale drainage toepassen om riolen te kunnen aanleggen. Dit omdat de achtergebleven drainage (later  bij herstelwerkzaamheden aan de rioleringen)  tot droogzettingsproblemen kan leiden

Drainage als primaire ondersteuning ter begunstiging van de nieuwe infrastructuur

Drainage dat functioneel onderdeel gaat uitmaken van de nieuwe infrastructuur . Dit na afronding van de werkzaamheden doormiddel van de doorspuitvoorzieningen op de drainagewerking te worden gecontroleerd. Hiervan dient een rapportage bij de directie (opdrachtgever gemeente Noordoostpolder) te worden ingediend.

Kolken

Materiaal en situering

  • Pas PP kolken (Polypropyleen) toe " voorwaarden kolken gemeente Noordoostpolder"
  • Betonkolken zijn alleen toegestaan, als dit in overleg met de directie (opdrachtgever gemeente Noordoostpolder) is overeengekomen. Dit geldt sowieso voor het toepassingsgebied groep 4 (kolken in de rijbaan) op speelplekken alleen kolken plaatsen met een veiligheidssluiting om de veiligheid van spelende kinderen te waarborgen. Vermijd kolken nabij speelvoorzieningen met zand, grind, snippers of dergelijke materialen.
  • Pas over het algemeen een kolk toe, die geschikt zijn voor het toepassingsgebied  groep 3  C-250 en voldoet aan de NEN-EN 124.
  • Pas voor kolken in de rijbaan over het algemeen toepassingsgebied groep 4  D-400 toe die voldoet aan de NEN-EN 1433.
  • Zorg erbij kolken voor dat de aansluiting bij voorkeur aan de achterzijde zit. Daarbij rekening houdend dat kolken op of tegen de perceelgrens geen achteraansluiting of aansluiting richting (op) particulier gebied mogen hebben. In die situaties kolken met een zijaansluiting toepassen, aan de zijde van de uitlegger. De aansluiting van een kolk niet onder een gesloten verharding aanbrengen.
  • Kolkkoppen aanpassen op type goten/banden.
  • Pas bij een weg met kantopsluiting straat- of trottoirkolken toe.
  • Plaats de kolken zo dat snelle en veilige waterafvoer is gewaarborgd.
  • Bij het plaatsen mag niet de maximaal toelaatbare verhard oppervlak worden overschreden.
  • Plaats (voor zover mogelijk) bij parkeervakken de kolken op de kruising van de molgoot en de scheiding tussen de parkeerplaatsen.
  • Situeer een kolk in de nabijheid van elk tangentpunt om plasvorming te voorkomen.
  • Plaats de kolk minimaal 1 m uit de tangentpunt van de bocht (in de rechtstand).
  • Houd minimaal 3 m afstand tussen kolken en snelheidsremmende drempels.
  • Beperk het aantal kolken, dat niet machinaal kan worden gereinigd, tot een minimum.
  • Plaats geen kolken ter plaatse van inritten naar eigen terrein.
  • Plaats geen kolken ter plaatse van invalide inritten.
  • Gebruik elementen van lijnafwatering (zandvangers) niet als kolk.

Lijnafwatering aanleggen volgens richtlijnen leverancier en zorg dat de gehele lijnafwatering door te spuiten is.

Aansluitleiding

  • Pas bij een kolkafvoerleiding op het gemeentelijke stelsel een PVC-buis van minimaal Ø 125 mm, kleur grijs (RAL 7037) toe.
  • Leidingen en hulpstukken uitvoeren in minimaal klasse SN8.
  • Sluit maximaal een oppervlak van 500m2 op een buis Ø 125 mm aan.
  • Kolkleidingen groter dan Ø 160 mm rechtstreeks aansluiten op inspectieputten.
  • Hoekverdraaiingen in de leiding opbouwen met bochten van maximaal 45 graden.  Breng direct na de kolk bochtconstructies naar beneden aan om voldoende dekking op de afvoerleiding te krijgen.
  • Bodem verhang van de kolkleidingen 1:100
  • Houdt een minimale dekking van 0,70 m op de leiding aan.
  • De verbinding van de afvoerleiding met de standpijp dient te worden uitgevoerd met behulp van flexibele stromings-T-stukken / bochten voorzien van een zettingstuk van minimaal 60 mm.
  • Zorg ervoor dat leidingen(zoveel mogelijk) buiten het wortelend gebied van bomen liggen.

Kolkaansluitingen

Perceel aansluitingen

  • Maak de perceelaansluiting op het gemeentelijke stelsel met een PVC-buis van minimaal Ø 125 mm.
  • Leidingen en hulpstukken uitvoeren in minimaal klasse SN8.
  • Pas de roodbruine kleur toe voor DWA afvoer en de grijze kleur grijs voor HWA afvoer.
  • Maak de perceelaansluiting niet langer dan 40 m ( vanaf hoofdriool t/m perceelgrens).
  • Leg de leidingen zo rechtstreeks mogelijk aan.
  • Plaats 50 cm binnen de perceelgrens op particulier terrein een put / ontstoppingsstuk als overname punt van particulier naar gemeentelijk.
  • Elk type afwatering krijgt zijn eigen overname punt bestaande uit een put / ontstoppingsstuk. Overigens op industrieterreinen (afhankelijk van de te vestigen bedrijven) kunnen stankdichte monsternameput PE worden voorgeschreven.
  • Zorg ervoor dat leidingen buiten het wortelend gebied van bomen liggen.
  • De verbinding van de afvoerleiding met de standpijp dient te worden uitgevoerd met behulp van flexibele stromings Tstukken/bochten voorzien van een zettingstuk van minimaal 60 mm1.
  • In woongebieden dient de leiding voor de (hwa/dwa) rioolaansluiting (op de erfgrens) aangeboden te worden tussen de 0,80 – 0,90m beneden de as van de weg.
  • In industriegebieden dient de leiding voor de (hwa/dwa) rioolaansluiting (op de erfgrens) aangeboden te worden tussen de 1,25 – 1,40m beneden de as van de weg.

Opmerking:
De locaties en de hoeveelheid benodigde standpijpen beperken tot de gewenste hoeveelheid. De locaties en de hoeveelheden met de directie (gemeente Noordoostpolder) afstemmen. Dit om ongebruikte standpijpen zoveel mogelijk te voorkomen.

Persleiding

Materiaal en situering

  • Persleidingen met een diameter t/m 355 mm uitvoeren in polyethyleen (PE-100, PN10, SDR17, KOMO-keur, kleur zwart).
  • Persleiding nabij het rioolgemaal voorzien van een voorziening voor het doorspuiten van de leiding of het inbrengen van een foam-pig.
  • In de persleiding (getrokken) bochten uitvoeren met een bochtstraal van bij voorkeur 5D, echter minimaal 2,5D.
  • De helling in zinkers kleiner dan 30 ° uitvoeren in verband met luchtinsluiting.
  • De gewenste gronddekking op een persleiding is minimaal 1,25m.
  • De stroomsnelheid in de persleidingen is minimaal 0,70m/sec. en maximaal 1,50m/sec.
  • PE leidingen lassen op de onderlinge verbindingen.
  • PE leidingen met een diameter t/m 90 mm mogen met Plasson-klemkoppelingen onderling verbonden worden.
  • Breng 20 cm boven de persleiding groen waarschuwingslint aan voorzien van de tekst "PERSLEIDING"

Ontvangput persleiding

Materiaal en situering

  • Plaats een kunststof PP /  PE-ontvangs- inspectieput" van  minimaal Ø 1000 mm of een betonnen gecoate inspectieput van minimaal 1000 x 1000 mm bij de uitmonding van persleidingen. Dit in overleg met gemeente Noordoostpolder
  • Laat persleidingen > Ø 63 mm uitstromen in een H²S ontluchtingsput van Kunststof HDPE , zie tekening.
    Waarbij aan het einde uitstroomleiding in de te ontvangen inspectieput (indien mogelijk) een terugslagklep moeten worden geplaatst.

Putten

Materiaal en situering

  • Stem materiaal van put en buizen op elkaar af. Toe te passen materialen zijn beton, polyethyleen (PE)of glasvezel versterkt kunststof (GVK).
  • Gebruik voor een betonnen put geprefabriceerde elementen; uitvoering in overeenstemming met NEN 7126, NEN 7035 en voorzien van KOMO-keur.
  • PE putten, voorzien van KOMO-keur volgens BRL 2017.
  • Inspectieputten dienen te zijn voorzien van een stroomprofiel om vuilafzetting te voorkomen (prefab af fabriek of in het werk aangebracht).
  • Hoekverdraaiingen zitten in de putten.
  • Kunststof putten dienen voorzien te zijn van flexibele aansluitingen om hoekverdraaiingen en zettingen tot 7,5° in alle richtingen op te kunnen vangen.
  • Plaats inspectieputten met minimale inwendige doorsnede van 800 mm x 800 mm of diameter van 800 mm, Materiaal PE / PP inspectieput voorzien van telescoopschacht.
  • Echter een inspectieput(ten) dieper dan 1.5 meter beneden het maaiveld moet van beton zijn en indien de beton(nen) inspectieput(ten) dieper wordt dan 2,5 meter beneden het maaiveld, dan moet de minimale inwendige doorsnede van 1000 mm x 1000 m of diameter 1000 mm zijn. Dit als aanvulling op de voorschriften van de leverancier m.b.t. de aan te sluiten buisdiameter(s)
  • Achteraf aangebrachte inlaten volgens opgave leverancier. Bij betonputten gebruik maken van instortmoffen.
  • Leidingen bij sparingen aanstorten. Bij kunststof leidingen gebruik maken van instortmoffen.
  • Zo min mogelijk verval in een put i.v.m. H2S (waterstofsulfide) vorming.

Putranden

Pas putranden met een deksels toe die gewoon met een puthaak te openen is. De sterkte van de putrand met deksel afstemmen op de gewenste verkeersklasse.

Revisie

Algemeen:

  • De ten behoeve van de uitgevoerde werkzaamheden te verrichten metingen dienen digitaal te worden uitgevoerd en te worden gekoppeld aan het Rijksdriehoeksnet.
  • Hoogtematen dienen te geschieden ten opzichte van NAP.
  • De gegevens digitaal vastleggen op door de opdrachtgever/directie ter beschikking te stellen ondergrond met aanwezige gemeentelijke rioleringsleidingen, in DWG-formaat. De metingen en verwerkingen van meetgegevens betreffen alle uitgevoerde werkzaamheden, inclusief de verwijderde leidingen.
  • Het product van de uitgewerkte meetgegevens ten behoeve van de revisie dient zodanig te zijn, dat een getrouwe weergave van de verwerkte onderdelen als een compleet beeld van de nieuwe toestand wordt weergegeven.  De revisietekeningen dienen met dit complete beeld, dan ook conform de NLCS (Nederlandse Cad Standaard) te worden aangeleverd.
  • De revisie dient in enkelvoud digitaal in dwg format (laagindeling conform NEN 1878) en enkelvoud analoog in uitgewerkte vorm overhandigd te worden.

Riolering

  • Van de riolering dienen de volgende onderdelen te worden weergegeven.
  • Ligging alle (hoofd- en aansluit-) leidingen in horizontale en verticale zin (x, y en z coördinaten) met kenmerkende hoogten en diameters.
  • Materiaalaanduiding verwerkte leidingen.
  • Plaats en afmetingen constructies met bijbehorende hoogten van putten.
  • Plaats en type kolken.
  • Hoogten van putten: stroomprofiel en b.o.b. instromende leidingen en bovenzijde putrand.
  • Inmeten locatie inlaten (vastgelegd in x, y en z coördinaten).
  • Begin en eind van mantelbuizen.
  • Plaats en details uitstroomvoorzieningen.
  • Minimale weergave conform NPR 3218.
  • Alle verwijderde rioolleidingen dienen vermeld te worden.

Riool inspecties

Naast de revisies moet er ook rioolinspecties worden aangeleverd. Deze rioolinspecties moeten conform de Leidraad voor visuele inspectie van de buitenriolering volgend de NEN-EN 13508-02 (2019) worden uitgevoerd, waarbij de inspectiegegevens  in een RIBX-bestand moet worden aangeleverd. 

Drainage

Van de drainage dienen de volgende onderdelen te worden weergegeven:

  • Ligging leidingen in horizontale en verticale zin (x, y en z coördinaten) met kenmerkende hoogten en diameters.
  • Plaatsen van doorspuitpunten/-putten.
  • Materiaal en constructie van verwerkte onderdelen.
  • Vermelden bochtstralen.
  • Details doorspuitpunten/-putten.
  • Plaats en details uitstroomvoorzieningen.

Riolering algemeen

De gemeente volgt bij het ontwerpen, realiseren en beheren de Kennisbank Stedelijk Water. De gemeente werkt de hoofdlijnen op het gebied van stedelijk water via haar omgevingsvisie uit in een Water en rioleringsprogramma (Wrp)  Hierin beschrijft de gemeente hoe zij haar wettelijke zorgtaken voor stedelijk water, hemelwater en grondwater concreet invult. Daarnaast is de gemeente druk doende met het specifiek klimaatbeleid. Dit mede in het kader van het nationale Deltaplan Ruimtelijke Adapatie. Net als het Rijk en provincie moet de gemeente in een omgevingsvisie haar lange termijnstrategie van de gehele fysieke leefomgeving vastleggen (srt3.2 omgevingswet)

Dit beleid dient op hoofdlijnen per beleidsterrein concreet in een programma te worden uitgewerkt. Voor Stedelijk Water is dit het water en rioleringsprogramma.

  • De van belang geachte afwijkingen worden aangegeven in een specifiek programma van eisen.
  • Het rioleringsplan wordt ter kennisgeving toegestuurd aan het waterschap.
  • Het rioleringsplan dient te passen binnen de omliggende rioleringsstructuur.
  • Het maximaal afkoppelen van regenwater dient als uitgangspunt te worden gehanteerd.
  • Riolering die buitengebruik wordt gesteld dient te worden verwijderd. Indien verwijderen niet mogelijk is, dan dient de leiding te worden vol geschuimd.
  • Voor gemengde stelsels en DWA-riolering, in PVC uitgevoerd, dient de roodbruine (RAL 8023) te worden toegepast; voor HWA-riolering dient de kleur grijs (RAL 7037) of groen (RAL 6024) te worden toegepast. Dit geldt ook voor standleidingen. Voor andere typen leidingen dient in overleg met de gemeente Noordoostpolder een kleur worden vastgesteld.

Ontwerp

  • Van het ontwerp dienen de tekeningen en berekeningsgrondslagen te worden ingediend.
  • Uitgangspunt voor het ontwerp is een gescheiden stelsel (GS).
  • Situeer de riolering in de rijbaan. Bij voorkeur in of nabij het midden van de rijbaan. Ontwerp de riolering zo dat de stamriolering in de wegen van ondergeschikt belang komen te liggen. In geval van reparaties is het verkeer op een weg van lagere orde immers makkelijker om te leiden.
  • Situeer de riolering in openbaar gebied, niet in particulier terrein.
  • Ontwerp het HWA-stelsel volgens een maasstructuur en DWA-stelsel volgens een boomstructuur.
  • Bodem verhang in DWA: 1:500 voor de eerste 200m 1:700 voor het verdere traject naar het gemaal of afvoerend stelsel.
  • Bodem verhang in HWA nagenoeg horizontaal of beter met iets verhang.
  • Voorkom sprongen in de maatvoering van de binnen-onderkant-buis (b.o.b.) in de doorgaande ververvalleiding van een stelsel.
  • Verbindingen tussen HWA- en DWA-stelsels zijn niet toegestaan.
  • De minimale afstand tussen twee kruisende leidingen is 0,20 m.
  • De maximale gewenste afstand tussen twee inspecttieputten is 50 m. Echter voor een regenwaterriool mag bij uitzondering een enkele keer 70 meter max. worden aangehouden.
  • De minimale diameter voor een hoofdleiding DWA is Ø 250 mm. De minimale diameter voor hoofdleiding HWA is Ø 315 mm.
  • De dekking op een leiding bedraagt minimaal 1,00m, daar waar sprake is van huis- en kolkaansluitingen is de dekking minimaal 1,20 m.
  • Bij aanleg dient een grondverbetering van minimaal 0,30m zand onder en naast de leiding te worden aangebracht, vervolgens aanvullen met zand tot 60 cm onder toekomstig maaiveld, indien de leiding niet in het vaste zand wordt aangebracht.
  • Riooloverstorten voor gemengde stelsels mogen niet worden aangelegd. Is een riooloverstort nodig, dan dient hiervoor de benodigde vergunning(en) voor te worden aangevraagd. Dergelijke (benodigde) voorzieningen moet altijd in samenspraak met gemeente Noordoostpolder en het Waterschap Zuiderzeeland plaatsvinden. Ook mogelijke voorgenomen lozingen van afvalwater of andere vormen van gemengde afval- en regenwater moeten altijd in de voorverkenning met de voornoemde overheden worden besproken. Het uitgangspunt hierin is geen extra lozing(en) creëren van gemengde stelsel(s) op het oppervlaktewater.
  • Lozingspunten van hemelwater zijn altijd gesitueerd aan goed doorspoelbaar oppervlaktewater en Wadi’s.
  • Persleidingen niet inprikken op bestaande putten zonder coatings op vrijverval rioolleidingen. De voorkeur gaat hierbij uit naar een aansluiting via een H²S ontluchtingsput  van PE /HDPE materiaal.
  • Persleidingen inprikken op vrijvervalleidingen is in alle omstandigheden niet toegestaan.
  • Zorg ervoor dat bijzondere constructies goed bereikbaar zijn voor inspectie, bemeten en bemonsteren.
  • Zinkerconstructies zijn niet toegestaan in DWA stelsel.
  • Bij voorkeur geen zinkerconstructies in HWA stelsels toepassen. De voorkeur gaat dan sterk uit naar een Kruisingsput. Indien wel voor een zinkerconstructie wordt gekozen,  dan aan beide zijden van de zinker een inspectieput plaatsen met zandvang.
  • Afstand tussen boom en hoofdriool:  De afstand tussen boom en de hoofdriolering moet minimaal de buitenkant van de kroon van de boom zijn. Hierbij nadrukkelijk rekening houden met de nog te volgroeien kroon. Dus de riolering alvast aanleggen op basis van een volgroeide boom. Is de boom al volgroeid, dan de riolering nog eens 1.5 meter buiten de kroon aanbrengen.
  • De afstand tussen twee putten in een stelsel bedraagt hooguit 60 à 70 meter voor een regenwaterriool, bij de overige stelsel typen gaat de voorkeur tot maximaal 50 meter.
  • Bij betonnen hoofdriolen dienen uitleggers ≥ 200 mm1 te worden aangebracht op een inspectieput.  In overleg met gemeente Noordoostpolder kunnen eventueel uitleggers ≥ 200 mm1 via een PVC  T-stuk op een PVC hoofdleiding worden aangesloten.
  • Percelen met een oppervlak van ± 550 m² die grenzen  aan het open water mogen het  "schoon dak en terreinwater" met één afvoer buis lozen op open water.
  • Percelen met een oppervlak van > 550 m² die grenzen aan het open water mogen het “schoon dak en terreinwater met twee of meerdere afvoerbuizen (dit na gelang de grote van het perceel) lozen op open water). Met andere woorden het aantal uitmondingen tot een minimum beperken.
  • Uitstroom t/m Ø 315 mm voorzien van de betonnen taludbescherming.
  • Bij grotere diameters betonnen uitstroom-bak toepassen. Ter plaatse van de uitstroming dient bodembescherming aangebracht te worden.
  • De huisaansluitingen dienen te allen tijde gescheiden aangeboden te worden. Afhankelijk van het plangebied kan er verlangd worden dat de afvoer van hemelwater op de perceelgrens bovengronds aangeboden dient te worden.
  • Ontwerp indien mogelijk hwa stelsel boven het grondwaterniveau, zodat ze leegstromen. Alhoewel dat normaliter in gemeente Noordoostpolder zelden voorkomt.

Dimensionering

  • Maak een tekening waarop alleen riolering staat.
  • Bereken in overeenstemming met de Leidraad riolering module C2100.
  • Reken het systeem door met minimaal regenbui T 100 (een bui van 70 mm in een uur) uit de reeks, waarbij een waking van 0,35 m1 in het stelsel wordt gehanteerd. Bij de berekening het verharde oppervlak als volgt verdisconteren. Factor 0,80 bij elementenverharding en platte daken. Overige verharding en hellende daken factor 1,0.
  • Controleer bij een bui T=100 + 10% klimaatbui of er nergens water in huizen of vitale voorzieningen stroomt. Belangrijk hierbij te melden is dat het rioolstelsel niet maatgevend hoeft te zijn, maar de openbare ruimte moet zodanig worden ingericht dat het tijdelijk regenwater kan bergen.
  • Reken met een gemiddelde woningbezetting van 2,6 inwoners.
  • De dagelijkse afvalwaterproductie is 125 liter per inwoner per etmaal; de maximale lozing wordt gesteld op 12 liter per uur.
  • Stamriolen voor voor alle type stelsels dienen minimaal Ø 300 mm inwendig te zijn Ook al blijkt dit niet uit een capaciteitsberekening.
  • Voor het al dan niet aansluiten van verhard oppervlak dient de "Leidraad aan- en afkoppelen verhard oppervlak" te worden gevolgd. Deze “Beslisboom aan- en afkoppelen verhard oppervlak 2003” is een publicatie van de Werkgroep Riolering West-Nederland. Daarnaast in overleg met de gemeente en conform het huidige beleid zoals geformuleerd in het gemeenlijk rioleringsplan.
  • Bij wegen met meer dan 1000 voertuigbewegingen per etmaal, de afvoer van het HWA door middel van bermpassage. Dit geldt ook zodra er meer dan 50 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. (Navraag bij het waterschap)
  • Binnen het stedelijk gebied kan worden aangehouden dat 3/5 deel van de totale perceelsoppervlakken een verhard oppervlak is. Dit is dan inclusief het woningoppervlak.
  • Bij berekeningsgrondslagen voor industrieterreinen geldt een verhardingspercentage van 90%.

Afkoppelen

  • Streef in nieuwe situaties na dat 100% van het schone verharde oppervlak het hemelwater niet hoeft te lozen op een stelsel dat afvoert naar een zuiveringsinstallatie.
  • Hanteer voor het afkoppelen bijvoorbeeld een beslisboom.  (Een beslisboom kan een hulpmiddel zijn in de afweging van het al dan niet afkoppelen c.q. niet aansluiten van verharde oppervlakken op de riolering).
  • Echter het streven moet wel zijn om zo veel mogelijk verhard oppervlak af te koppelen.
  • Op advies van de gemeente kan er aangegeven worden dat HWA alleen op maaiveldniveau aangeboden mag worden.
  • De gemeente neemt geen brandstof-, olie-, vetafscheiders en soort gelijke filters in beheer.
  • Hanteer bij berminfiltratie de eisen die worden gehanteerd door het Waterschap.
  • Hanteer bij het ontwerp van een Wadi de publicatie van de stichting Rioned “Wadi’s: aanbevelingen voor ontwerp, aanleg en beheer.

Kwaliteit van het aangeboden water

  • Het afvalwater op de overgang van particulier naar gemeentelijk riool dient te voldoen aan de voorschriften van de wet milieubeheer.
  • Eisen van het al dan niet plaatsen van voorzieningen, voortvloeiend uit de milieuwetgeving, dienen te worden nagekomen. Zij worden op aanvraag van geval tot geval geformuleerd door de afdeling Vergunning, Toezicht en Handhaving (VTH).

Algemeen hanteert gemeente Noordoostpolder de “landelijke stelregel” voor de kwantiteit en kwaliteit van het aangeboden regenwater:

> Vasthouden - Bergen en Afvoeren

> Schoonhouden - Scheiden - Zuiveren.